Menu

Verhalen

De mensen van Wing bloggen over hun ervaringen en reflecties.

Energiedialoog als opstap naar Nationaal Energieprogramma

Er is nogal wat te doen over de manier waarop minister Henk Kamp zijn Energierapport wil uitvoeren. Critici noemen het een maatschappelijke dialoog zonder partners. Wij bevelen de minister aan om een nationale Energiedialoog op te zetten om actieve steun te verwerven met een Nationaal Energieprogramma als gezamenlijk doel.

Het Energierapport van minister Henk Kamp is kritisch ontvangen. Arjen Lubach nam de plannen flink op de hak in Zondag met Lubach. En Marc Chavannes schrijft in de Correspondent : 'Henk Kamps plannen voor verduurzaming zijn een belediging van het gezonde verstand'. Chavannes was vooral scherp over de Energiedialogen die het rapport in het vooruitzicht stelt. ‘Kamp kondigt een maatschappelijke dialoog aan, terwijl hij eerst eist dat maatschappelijke partners moeten doen wat hij zegt.’ Dat is natuurlijk geen uitnodiging tot een goed gesprek.

Beginpunt om mee te denken

Wat is een goed beginpunt voor een maatschappelijke dialoog? Chavannes stelt een terechte vraag. We komen die vraag bij Wing vaak tegen bij het begeleiden en organiseren van publieke dialogen. In onze ogen creëert een dialoog de ruimte waarin de beste ideeën ontstaan voor een gedragen plan. En een dialoog vindt weliswaar nooit plaats in het luchtledige, maar minister Kamp beperkt de ruimte vooraf nu wel heel sterk door te stellen dat de korte termijn maatregelen door iedereen uitgevoerd moeten worden. Dat kan anders.

Ons advies aan minister Kamp is om de maatschappelijke dialoog op te pakken als gelegenheid om mee te denken aan een gezamenlijk (nationaal) energieplan in plaats van het volgende Rijksplan. Zoals we in het Deltaprogramma ook met alle overheden aan een nationale aanpak voor waterveiligheid werken. Daarom zou de minister het Energierapport moeten omvormen naar een gezamenlijk Nationaal Energieplan of beter nog een Nationaal Energieprogramma, en de dialoog moeten benutten om actieve steun te verwerven voor die gezamenlijke aanpak.

Werk aan een gezamenlijk plan

Hoe minister Kamp dat kan doen? In de bestuurskunde zijn hierover inmiddels rijke, empirisch onderbouwde inzichten beschikbaar. Vergelijkend onderzoek in de Verenigde Staten, Canada en West-Europa1  laat zien dat de bereidheid van maatschappelijke partners en lagere overheden om mee te werken aan de uitvoering van plannen op nationale schaal toeneemt als ze mee kunnen praten en werken aan die nationale plannen. Daar zijn wel twee voorwaarden aan verbonden. Ten eerste werkt het alleen als een nationaal plan een gezamenlijk plan is van Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen.  Ten tweede werkt het alleen als de deelnemers, dus ook de  maatschappelijke netwerken rond die overheden, het proces als eerlijk ervaren. En daar legt Chavannes terecht de vinger op de zere plek.

Dit stelt eisen aan de organisatie van de maatschappelijke dialoog. Uit dezelfde bestuurskundige studie blijkt dat de dialoog het beste op meerdere schaalniveaus kan worden georganiseerd. Dit blijkt vele malen effectiever dan de klassieke top-down-sturing. De implementatie verloopt er sneller door, omdat vraagstukken over praktische toepassing eerder op tafel komen. Deelnemers aan de dialoog ervaren hierdoor ook eerder een gedeelde probleemdefinitie en pakken het op als een gezamenlijke opgave.

Verwerf via Energiedialoog actieve steun

Kamp krijgt ook nog een klein beetje gelijk van de onderzoekers. Die vonden opmerkelijk genoeg dat het stellen van doelen door een bovenliggende overheidspartij goed kan helpen om alle spelers bij de les te houden. Kennelijk is er sprake van een zekere balans in de rol van de rijksoverheid tussen het (top-down) bepalen van doelen van bovenaf en het (bottom-up) ruimte laten en maken voor initiatieven op lagere schaalniveaus.

De Energiedialogen kunnen een effectief instrument zijn om, zoals we hierboven voorstellen, actieve steun te verwerven voor het Nationale Energieprogramma. Daarvoor zal het ministerie van Economische Zaken (EZ) wel drie zaken anders moeten aanpakken. Ten eerste zal het ministerie de balans moeten herstellen tussen top-down en bottom-up, door voor het hele land de inhoudelijke speelruimte te onderzoeken en met de regio’s te bespreken. Dat kan bijvoorbeeld door de keuze te maken om het maximale technisch potentieel te hanteren als doel. Dat kan het ministerie van EZ voor heel Nederland uitwerken, om vervolgens de provincies uit te nodigen voorstellen te doen om de potentie regionaal in te vullen, zodat de nationale doelen ook worden gehaald. Vervolgens wordt het programma jaarlijks bijgesteld op basis van voortgang en nieuwe inzichten of nieuw beschikbaar gekomen technologie.

Open staan en infrastructuur organiseren

Ten tweede zal het ministerie open moeten staan voor de mogelijkheden om nationale doelen in te vullen met wat regionaal wordt aangeboden. Dat betekent dat het ministerie voor de opgaven die het Rijk nu regelt, zoals de locatiebepaling van windmolens groter dan 100 Megawatt, een opening moet bieden aan regionale en lokale spelers. Als die met goed onderbouwde voorstellen komen en harde steun beloven voor hun eigen voorstel, dan moet het mogelijk zijn om met elkaar een deal te sluiten, ook als die niet helemaal past binnen de huidige kaders. Bij het programma Ruimte voor de Rivier, dat de bescherming tegen overstromingen verbetert, heeft de spelregel dat regionale partijen inwisselbare tegenvoorstellen mochten doen, goed gewerkt. Zo kan het Nimby-gedrag (Not In My Back Yard), waar het ministerie nu mee wordt geconfronteerd, verminderen.

Ten derde moet het ministerie een organisatorische infrastructuur creëren om samen te werken aan het programma. Het ministerie moet de dialogen niet te veel over laten aan anderen, zoals bedrijven en gemeenten, want die indruk wekt EZ met het Energierapport. In plaats daarvan adviseren we het ministerie om capaciteit aan te bieden aan partners om de dialogen te organiseren. Daarnaast moet het ministerie duidelijk maken hoe de resultaten van de dialogen in het Nationale Energieprogramma gaan landen. Het ministerie van EZ staat in elk geval aan de lat om het proces te organiseren om het Nationale Energieprogramma te maken en daarbij ook de inbreng van en afstemming met de andere ministeries te regelen. Wij kunnen ons goed voorstellen dat dit de behoefte voedt om, naar voorbeeld van de Deltacommissaris, de aanstelling van een Nationale Energiecommissaris te overwegen. Deze Energiecommissaris kan dan als onafhankelijk regisseur het programma aansturen.

8 februari 2016

_________________________________
 1 Zie: Jens Newig en Oliver Fritsch (2009), Environmental Governance: Participatory, Multi-Level – and Effective?, in Environmental Policy and Governance, 19, pp 197–214.